Alles en iedereen naar Leidsche Rijn

Dwars. Dat was ik als kind al, en dat ben ik nog steeds, maar gelukkig alleen nog in onschuldige dingen. Zo verzet ik me tegen het woord ‘opstarten’. Voor mij is het: je start je auto, je zet je computer aan. Nog zo’n woord waaraan ik me erger is ‘delen’, in de betekenis van deelgenoot maken of zoiets. Ik hoor er iets zalvends in, iets religieus, alsof ik vanaf de kansel wordt toegesproken.

 ‘Ik wil deze ervaring graag met u delen’. Ervaringen delen, wat een onzin. Een stevige kater na overmatig alcoholgebruik, hoe moet je die bijvoorbeeld delen met iemand die nooit gedronken heeft? Ja, je kunt vertellen dat je misselijk en duizelig bent, en knetterende hoofdpijn hebt, en dat je hoopt dat de dag snel voorbij is, of nog liever, dat je hem kunt overslaan.

Zeker vijf keer had ik een erge kater, dus ik kan er over meepraten. Maar veel meer ervaring heb ik met wat ik een pseudo-kater noem. Precies dezelfde verschijnselen als met een echte kater, maar dan zonder ook maar één promille alcohol in het bloed. En niet slechts één dag, maar soms dagen of zelfs weken achter elkaar. Sommige mensen hebben nauwelijks last van hun hartritmestoornis, hun boezemfibrileren. Ik dus wel. Nooit ging het vanzelf over. Altijd was er een cardioversie nodig.

Liefhebbers van ziekenhuisseries weten hoe het werkt: Patiënt krijgt hartstilstand. Alarm. Hulpverleners snellen toe en scharen zich rondom het bed. Eén van hen plaatst een apparaat op de borst van de zieltogende. Allen doen stap achteruit. Iemand zegt ‘ja’. Patiënt krijgt elektrische schok en stuitert omhoog. Hart doet het weer (of niet). 

Een cardioversie is iets soortgelijks, maar daarbij gaat het niet om het weer op gang brengen van het hart, maar om het resetten van het ritme. Hoe dat bij mij ging beschreef ik in 2013 in de Binnenstadskrant: ‘Met bus (tot het station) en sneltram ga ik ’s morgens nuchter naar ziekenhuis Oudenrijn. Zenuwachtig word ik er – na zeker 25 keer – niet meer van. Het ritueel is vertrouwd: het medeleven van de dames van de receptie [‘Is het al weer mis? Wat een pech!’), de grapjes van de cardioloog (‘U kunt het al bijna zelf ’), de sensatie van het onder narcose raken, de cardioversie (waarvan ik dus niets merk), de latte macchiato waarop ik mezelf na afloop in het ziekenhuisrestaurant trakteer.’

Tussen al die cardioversies door is in het St. Antonius in Nieuwegein drie keer met operaties geprobeerd m’n hart weer voor lange tijd in het gareel te krijgen. Het effect was beperk.

Uiteindelijk, na een jaar of tien, kwam de verlossing: de elektrische verbinding tussen de boezems en de kamers (de bundel van His) werd verbroken. Het fibrileren gaat gewoon door, maar ik merk er niets meer van.  

Hopelijk kom ik dus nooit meer in de hartoperatie-vleugel van het Antonius. Het is het paradepaardje van het ziekenhuis, en eigenlijk van heel Nieuwegein. De stad ontleent er zijn landelijke bekendheid aan. Maar in 2035 is het Antonius er weg.

Tien jaar geleden had het ziekenhuis drie vestigingen: Oudenrijn, Overvecht en Nieuwegein. De eerste twee zijn opgedoekt en vervangen door Leidsche Rijn. Over uiterlijk 13 jaar is nummer 3 daar ook bij ingetrokken.

Het betekent dat Nieuwegein zijn grootste werkgever en zijn belangrijkste voorziening kwijtraakt. Wat een treurnis. Veel personeel woont in Nieuwegein, net als een groot deel van de patiënten. Ze gaan flinke reistijden maken, ook al is het hemelsbreed niet zo ver. Met het ov ben je (vanuit een willekeurige straat, volgens 9292 reist me je mee) ruim een uur onderweg, met de auto minder, als het verkeer op de A2 tenminste mee zit.

Dat een ziekenhuis met meerdere vestigingen alle grote operaties op één plek uitvoert is zo logisch als wat. Maar alles en iedereen naar Leidsche Rijn is niet mensvriendelijk.

.