De beelden van Hans van Z.

De ‘zaak Hans van Z.’ heeft mij zeer beziggehouden. Ik schreef er over vanaf diens arrestatie, en ging zelf op onderzoek uit, samen met Tom Flesseman, een jongere collega en nog steeds een goede vriend. Tom kwam uiteindelijk in Amsterdam terecht bij een familielid van kardinaal Alfrink, die meer zou weten over de dood van Claude Berkeley. Een paar dagen later kreeg hij een telefoontje waarin gedreigd werd met het tot zinken brengen van zijn woonschip. Met zijn gezinnetje logeerde hij daarna een paar weken bij ons. Ik heb nog gecorrespondeerd met de vriendin (later vrouw) van Van Zon. Haar brieven ben ik kwijt.

Eerste dag (dinsdag 11 februari 1969) van het proces Hans van Zon

De beelden van Hans van Z.

Op 23 juli 1964 stierf Elly Hagers in de Rotterdamse IJsclubdwarsstraat een gewelddadige dood. Bijna vijf jaar later, als de eerste lange dag van het proces Hans van Z. al een eind gevorderd is, vraagt rechtbankpresident mr. Van Zeben aan Hans van Z. of hij de dader is. Het antwoord: ‘Ik voel dat ik het niet gedaan heb. Ik zie mezelf niet in het beeld.’

Over ‘beelden’ is deze dinsdag veel gesproken. Van Z. kan nauwkeurig beschrijven hoe de moord op Elly Hagers is gepleegd. Hij geeft details over haar kamer, over de manier waarop de moordenaar haar heeft overmeesterd, over de broodzaag waarmee toegestoken werd, over de straat waarin de vrouw woonde, over de schemerlampen die in de kamer brandden, enz.

Van Z. kan niet verklaren hoe hij al die bijzonderheden weet. Hij zegt dat hij iets soortgelijks heeft met de filmregisseur Claude Berkeley, wiens in zeildoek gewikkelde lichaam op 28 september ’65 in het Amsterdam-Rijnkanaal werd gevonden. ‘Ook bij Berkeley kan ik mezelf in het beeld niet plaatsen. Maar de steen in de zij voel ik.’ (Het pakket met Berkeley was met stenen verzwaard. Eén steen zat ter hoogte van de zij. (Overigens is de moord op Berkeley Van Z. niet ten laste gelegd.)

De verdachte maakt in de rechtszaal niet de indruk van een geslagen man. Getuigen die naar zijn mening niet de waarheid spreken, gaat hij hard te lijf. Ook de officier, mr. Somerwil, moet een paar keer ondervinden dat de verdachte gevat en spitsvondig kan zijn. Mr. Van den Berg, de reserve-officier, geeft het na afloop van de zitting volmondig toe: ‘Wij zijn verrast door de wijze waarop hij zich weert.’

De president, mr. Van Zeben, bejegent de verdachte zeer voorkomend. Eén keer grijpt hij echter krachtig in. Dat gebeurt tijdens het verhoor van een getuige, die in 1964 met Van Z. samenwerkte en die moet vertellen dat hij toen een kettinkje en manchetknopen droeg zoals later bij Elly Hagers waren gevonden. De man die tegenover de politie zeer positief was geweest, komt voor de rechtbank aanvankelijk geheel op zijn verklaringen terug.

Van Z.: ‘Toen hij net binnenkwam wist hij nog van niets. Nu is hij er weer. En als u nog een half uur met hem doorgaat heeft hij bij de moord gestaan. Dergelijke getuigen zijn alleen tijdrovend. Ik begrijp niet waarom de officier zulke mensen dagvaardt.’

Mr. Van Zeben: ‘Dit is op het onbehoorlijke af. Als u uw mond niet houdt gaat u de zaal uit.’ Van Z.: ‘Graag.’

De president laat Van Z. echter waar hij was en grijpt even later niet in bij een confrontatie tussen Van Z. en de officier. Mr Someril heeft het dan over de emotie, die de verdachte zou hebben getoond toen hij destijds op het politiebureau met de broodzaag van Elly Hagers was geconfronteerd.

Van Z.: ‘Natuurlijk was ik geëmotioneerd. Dat is toch iedereen bij het zien van een moordwapen. Bovendien was het aan het einde van een verhoor van acht uur of langer.’

Mr. Somerwil: ‘Dat verhoor was pas een half uur aan de gang.’ Van Z.: ‘Ja, vanaf het moment dat u binnenkwam.’ En tot de rechtbank: ‘De officier heeft toen zeker de hele avond zitten kaarten.’

Een tegenvaller voor mr. Somerwil is dat een tante van Van Z. zich beroept op haar verschoningsrecht en niet als getuige wenst te worden gehoord. De tante had zeven uur in de gang zitten wachten. Zij had al weken geleden gezegd dat zij niet wilde getuigen, maar is niettemin door de officier opgeroepen. Een andere teleurstelling moet het aanvankelijke gedraai van de getuige over de manchetknopen en het kettinkje zijn.

En zo moet mr. Somerwil het vooral doen met de verklaringen van de ver- dachte zelf: ‘driedimensionale beelden’ over de toedracht van het misdrijf en de omstandigheden waaronder het gebeurde: met de handen en met een broodmes in een muf ruikende kamer met openslaande deuren die uitkwamen op een balkon.

Behalve deze driedimensionale ‘diepe’ beelden heeft Van Z. ’tweedimensionale platte’ beelden, ontstaan ‘uit onmacht om uit de diepe beelden een afgerond verhaal te maken.’

In één van die platte beelden ziet hij zichzelf in de nacht van de moord tot sluitingstijd zitten in een Rotterdams café; in een ander staat hij na de moord onder een lantarenpaal op de hoek van de IJsclubdwarsstraat en steekt een sigaret op.

Diep daarentegen is weer het beeld dat de moordenaar haar van achteren bij de keel heeft gegrepen. ‘Ik voel het niet alleen; ik weet zeker dat het zo is gegaan.’

Van Z. is na zijn arrestatie naar de IJsclubdwarsstraat gebracht. Hij kon precies aanwijzen achter welke ramen de moord was gepleegd. Hij beschouwt de zaak Hagers als ‘de meest onprettige affaire van de hele tenlastelegging’.

Toen de president hem om half zes gistermiddag vroeg wat hij wilde: het verhoor in deze zaak afronden of woensdag verder gaan, antwoordde de verdachte: ‘verder gaan.’

President: ‘Zullen we dan nu even pauzeren? Hoe lang had u gedacht?’

Van Z.: ‘Een kwartiertje. Even een sigaretje roken.’ President: ‘Goed.’

Op verzoek van de recherche heeft Van Z. destijds allerlei dingen beschreven: Hij beschreef hoe Elly gewoond zou kunnen hebben en het klopte, hij beschreef wat voor beroep ze had kunnen hebben (‘huishoudschool-lerares. Nee, beslist niet koken… naaldvakken’) en het klopte.

Hij deed van alles, tot toegeven dat hij de dader was toe. Die bekentenis heeft hij echter telkens weer ingetrokken. ‘Ik deed ze om een einde te maken aan zeer lange verhoren.’

De verdachte houdt vol dat hij zelden in Rotterdam kwam en er heel slecht de weg weet. Volgens sommige getuigen kwam hij er regelmatig en zou er drommels goed de weg geweten hebben.

Van Z. zegt Elly Hagers niet te hebben gekend. Enkele getuigen menen hen samen wel eens te hebben gezien. Verdachte: ‘De recherche is na mijn arrestatie overspoeld door mensen die mij overal zouden hebben gezien.’ Tijdens de zitting blijkt dat de verhalen over de grote aantrekkingskracht van Van Z. op vrouwen niet zijn overdreven. Hij heeft ontzaggelijk veel vriendinnen gehad. Hun namen noteerde hij in een speciaal boekje dat hij kort voor zijn arrestatie vernietigde.

Op het hoofdbureau van politie vroeg de recherche hem destijds drie te- keningen te maken. Hij gaf die tekeningen meisjesnamen mee: Brigitte. Michelle en Eleonora (Elly Hagers-Segov heette ook Eleonora). Brigitte en Michelle waren vriendinnetjes van hem geweest.

Eleonara was – zei hij – zo maar een verzonnen naam. Als hij er een achternaam bij had moeten maken dan zou hij een Poolse naam hebben bedacht. Toen de recherche hem daarna vroeg hoe hij zich voorstelde dat die Eleonora zou leven begon hij een leven te schetsen dat sprekend leek op dat van Elly Hagers.

Mr. Van Zeben: ‘Het is een hoogst merkwaardige wereld waarin wij te- rechtgekomen zijn’.

(Van Z. werd vrijgesproken van de moord op Elly Hagers.
Hij kreeg levenslang voor drie andere moorden en een poging tot moord.)