De provo’s van toen

UN, 1980

‘Ik houd er van schijnzekerheden aan te tasten. Ik trap met een gerust geweten de poot onder je stoel weg’, zei Kargadoor-projectleider Koos van Duinen in 1969. In de jaren daarna werden tot twee keer toe de poten onder Koos’ eigen stoel weggetrapt, eerst bij de stichting Vrije Centra en later bij ’t Hoogt. Vanaf 1 augustus van dit jaar werkt hij als ambtenaar bij de gemeente Den Bosch.

Rob van Gemert, woordvoerder van de Utrechtse provo-groep Volte, stond in 1967 terecht wegens demonstreren tegen de militaire parade, die ter gelegenheid van Koninginnedag op 1 mei op de Maliebaan was gehouden (30 april viel op een zondag). Mr. Von Meijenfeldt, officier van justitie, vond dat de demonstranten zich beter konden aansluiten bij een politieke organisatie. Maar Van Gemert zei dat hij daar wars van was. ‘De ontwikkelingen gaan niet meer via de partijen’, vond hij. Een maand later werd hij lid van de PSP.

Voor die partij zit hij nu als full-time raadslid in de gemeenteraad. Von Meijenfeldt zei ook nog dat hij er alle begrip voor kon opbrengen als jongeren ergens kritiek op hadden. Maar de kritiek op de parade vond hij weinig doeltreffend. Toch is het een feit dat na die keer de traditionele Koninginnedagparade in Utrecht is afgeschaft.

Bunk Bessels, die samen met Van Gemert twee gigantische popmanifestaties organiseerde (de Flights to Lowlands Paradise), riep zichzelf in november 1968 uit tot voorzitter der hippe bourgeoisie. Ruim een jaar later kreeg hij voor het laatst veel publiciteit toen hij vertrok als staflid van het Kasino, psychedelisch centrum op de plaats waar nu de parkeergarage Paardenveld is. Hij is nu kunstschilder.

John Panders was in 1968 lid van Tatatantan, een radicale afsplitsing van de wat gematigder Volte-groep. Motto van Tatatantan was: je hebt geen hachje, want je hachje is je alleen aangepraat. Je kunt je hachje er dus niet bij inschieten. Je hebt niets te verliezen. Tatatantan betekent vecht-vecht- praat-praat. Het zijn woorden van Mao.

Johns meest opzienbarende (en door vrijwel niemand begrepen) daad was het gooien van een rookbom in de dodenherdenking op het Domplein op 4 mei 1969. Kort daarna verdween hij uit het nieuws.

Koos van Duinen, Rob van Gemert, John Panders. Onrustzaaiers van de jaren ‘60. Ze dachten van zichzelf dat ze met hun acties, met hun demonstraties bijdroegen tot een soort omwenteling die zich in Nederland zou kunnen voltrekken. In 1970 kwam de kater. Het getij van de revolutie was verlopen. Ze maakten de balans op en kwamen tot de conclusie dat er in werkelijkheid niet zo gek veel was gebeurd. Het systeem, dat zij wilden bestrijden, was lenig genoeg gebleken om de klappen op te vangen.

Panders nu: ‘De hele anti-autoritaire beweging was mislukt. Voor mij betekende dat een enorme klap. Ik kon er niet meer tegenop. Ik had het gevoel dat het afgelopen met me was. Ik wilde er een einde aan maken en zo. Ongeveer twee jaar heeft dat geduurd.’

Koos van Duinen: ‘Ik was ongelofelijk hard bezig geweest met alles wat op me af kwam. Ik riep luid van de daken dat alles op losse schroeven moest worden gezet: het huwelijk, de macht van de overheid, en ga zo maar door. Met alles wat je deed haalde je de publiciteit. Elke kreet kwam in de krant. Ik ging mezelf eigenlijk wel heel belangrijk voelen. In 1970, toen de roes zo’n beetje was uitgewerkt, begon ik te beseffen dat ik mezelf voorbij was gehold, en dat dat consequenties had gehad voor de situatie thuis. We hadden een moeilijke tijd, maar met een beetje gezinstherapie is het allemaal weer goed gekomen.’

Van Gemert: ‘1970 was het keerpunt, bepaald door de stand van de sterren. Geloof jij daarin? Nee? Nou, ik wel. De hele troep zakte in elkaar en dat bezorgde mij ook een kater van heb ik jou daar.’

Het links-radicalisme had in Utrecht in de jaren ‘60 nogal wat gezichten. Van Duinen zocht het vooral in een culturele aanpak. De mensen van Tatatantan hielden zich bezig met rechtstreeks politiek bedoelde acties. En Bunk Bessels geloofde in de lieve revolutie via popmuziek en psychedelische toestanden. Maar zijn Kasino, dat een centrum voor onbezorgde vrijetijdsbesteding moest worden in de sfeer van ‘love en peace’, werd een vergaarbak van weglopers.

Panders: ‘Het systeem’ verleende alle medewerking. Achteraf gezien spreekt dat eigenlijk ook vanzelf. Het kon alleen maar voordeel hebben van dit soort experimenten. ‘Problematische jongeren, vooral als ’t er erg veel worden, kunnen een behoorlijke bedreiging vormen. Eigenlijk zijn we er ingetuind.’

Van Gemert (psychologie-student) hield zich in die tijd beter staande dan Panders, die hele perioden van de kaart was, amfetaminen gebruikte en zijn studie pedagogiek er aan gegeven had.

Een andere radicaal, David Douwes, heeft het jaar 1970 niet zozeer als een keerpunt ervaren. Samen met onder meer Hans Zonnevylle en Henk Vreekamp bleef hij werken aan de Muurkrant, die tot op de dag van vandaag verschijnt.

Mario Tymosz, ook een van de mensen van het eerste uur, vertrok naar Zeeland en schijnt zich daar nu op een boerderijtje bezig te houden met het kweken van onbespoten groenten en het bakken van brood.

Michael Kroonbergs (Tatatantan) werkt thans bij de Vara-gids, waar hij onder meer luchtige artikelen schrijft over popgroepen.

Koos van Duinen leek het, ondanks problemen in de privé-sfeer, maat- schappelijk goed te doen. Van projectleider van de Kargadoor klom hij op tot directeur van de Stichting Vrije Centra, overkoepelend orgaan van Rasa, Raadskelder en Kargadoor.

Leuk vond hij het niet. ‘Het was een eeuwigdurende discussie tussen links en nog linkser over strategie en inhoud. ’n Ongelofelijk geouwehoer, waaraan een aantal mensen kapot ging. Ik dacht: ik moet snel wegwezen want anders overkomt mij dat ook.’

De grote klap kwam toen besloten werd bij De Kargadoor alle culturele activiteiten weg te snijden. Want kunst had niets met de positie van de arbeider te maken en werkte zelfs versluierend.

Koos vertrok en werd projectleider beeldende kunst van ’t Hoogt. Op 1 januari van dit jaar werd hij werkloos omdat de afdeling opgeheven werd. Na zeven maanden vond hij wat anders: directeur van de gemee telijke tentoonstellingsdienst van Den Bosch.

Op de jaren ‘60 ziet hij vooral met verbazing, maar toch ook wel met iets van voldoening terug. De Kargadoor heeft volgens hem in het bewustwordingsproces van de Utrechtse jongeren een belangrijke rol gespeeld. ‘We hebben een stem gegeven aan een generatie, naar wie vroeger niemand luisterde.’

Van Gemert: ‘Eigenlijk deden we in die tijd maar wat. We reageerden intuïtief op alles wat er toen in de wereld gebeurde, en met name in Vietnam. Veel theoretische kennis hadden we niet. Ik had er bijvoorbeeld geen idee van dat je in de politieke strijd uitsluitend resultaten kunt boeken als ze gebaseerd is op een goed georganiseerde massabeweging. De zogenaamde revolutionaire groepjes zaten als los zand in elkaar. Er waren veel egotrippers bij.’

Panders: ‘Wij liepen rond met het idee: de arbeiders die maffen. Wij gaan die mensen wakker schudden. Maar van de geschiedenis van de arbeidersbeweging wist ik geen hol af. Vrijwel allemaal waren we mensen met

een moeilijke levensgeschiedenis. Wat mij betreft: ik had een langdurig gestichtsverleden. Ik was altijd geslagen en geschopt door mensen aan wie je niet kon komen. Daar kwam mijn autoriteitenhaat vandaan. Door alles te bestrijden wat je rottig vond, krikte je jezelf een beetje op. Zo simpel ligt het. Het was echt anti-autoritair. We schreven stukjes over de bereidingswijze van springstoffen. We hadden ook echt een geheim laboratorium. Ik zeg nog steeds niet in welk huis’

‘Tatatatan had een harde kern van vier man met daaromheen zo’n dertig mensen met allemaal hetzelfde desperate gevoel. Dat moest wel een anarchistische groep worden. Ik wierp me op een gegeven moment op als leider omdat er anders niets gebeurde. Ik was de grootste lefschopper, de plannenmaker. Maar als ik gepland had om zes bommen te gooien dan werd het er soms maar één. We ondergingen alles erg persoonlijk. Vietnam was een voortdurende emotie. En de Russische inval in Tsjecho-Slowakije was een enorme klap voor ons. Tot we tijd hadden we, via Lenin, toch wel geloofd in de Russische revolutie.’

In 1969 gooide Panders een rookbom tijdens de 4-meibijeenkomst. ‘Zoals ik het toen zag, klopte het helemaal. Want hoe kun je alleen de doden van ‘40-’45 herdenken als op hetzelfde moment in Vietnam 25.000 mensen met napalm worden bestookt. Nu, achteraf, weet ik dat het een zinloze daad was. Ik geloof niet meer in de plotselinge bewustzijnsschok. Ik wilde de arbeiders de ogen openen, maar juist die mensen konden me wel villen. Ik had niemand iets duidelijk gemaakt. Ik was waanzinnig argeloos geweest.’

Het jaar 1970 kwam. Onafhankelijk van elkaar begonnen de Utrechtse radicalen te begrijpen dat hun theorie (voor zover ze die hadden) en hun praktijk niet deugden. Panders: ‘We hadden al te makkelijk van Marcuse overgenomen dat wij het wel moesten doen omdat de arbeiders het nalieten.’

Veel mensen haakten definitief af. Maar er was ook een aantal dat moeizaam de kater te boven kwam en zich ging afvragen: Wat nu? (Opmerkelijk is dat ook ‘het systeem’ na de jaren zestig duidelijk toe was aan een adempauze. Wethouder Harteveld heeft de laatste tijd bij herhaling gezegd dat het feit dat er in de jaren ‘70- ‘75 zo weinig gemeentelijke bestuurskracht werd ontwikkeld een gevolg was van de behoefte aan heroriëntatie.)

Panders vatte in 1972 zijn pedagogiekstudie weer op en hoopt volgend jaar af te studeren. Van Gemert ging les geven aan de sociale academie in Den Haag. Ze lazen Marx en Ernest Mandel, verdiepten zich in de geschiedenis van de arbeidersbeweging en probeerden een betere analyse te maken van de werkelijkheid in Nederland.

Tot zijn verbazing werd Van Gemert in ‘74 gevraagd voor het raadslidmaatschap van de PSP. ‘Ik had in de partij nooit één flikker uitgevoerd. Ik was altijd een papieren lid geweest.’ Het raadswerk bleek zoveel tijd te vergen dat hij zijn baantje in Den Haag er aan gaf. Hij leeft nou van een vergoeding van f 1304 per maand.

Van Gemerts politieke bewustzijn is veranderd en met hem het karakter van het buitenparlementair gebeuren. Het accent is komen te liggen op vrij strak georganiseerde buurt- en wijkacties van bewoners. De PSP ve leent daarbij hulp, met name in Pijlsweerd.

Panders ging een andere weg. Hij voelt zich verwant met de trotskisten van de Internationale Communisten Bond. In een revolutie in Nederland op korte termijn gelooft hij niet meer. Zijn afstudeerproject zal onder meer gaan over de werkloosheid, die volgens hem naarmate de overgang van mechanische productie naar geautomatiseerde productie verder vordert steeds grotere omvang zal aannemen. ‘Het systeem zal straks op iedere straathoek een maatschappelijk werker moeten neerzetten om het zaakje rustig te houden.’