Geschiedenisles voor en na de Wende

Geschiedenisles voor en na de Wende

Les geschiedenis op een Oberschule. De klas is ingedeeld als een café. De leerlingen, gemiddeld zo’n jaar of vijftien, zitten in groepjes van drie of vier rond tafels, sommige met de rug schuin naar de juffrouw toe. Ik moet er niet aan denken om zo les te geven, en maak daar voorzichtig een opmerking over. Het antwoord: ‘Het was ook niet mijn idee; ze wilden het zelf zo.’

De lerares heet Petra Friede, en ze had gezegd dat het een absolute rampgroep was. Nergens in geïnteressseerd, voeten op tafel, kauwgom, alles Scheisse.

Dat wil ik wel eens meemaken: de nieuwe Oostduitse jeugd. Maar helaas, de jongelui gedragen zich uitstekend, en pijnigen zich het hoofd over nogal abstracte vragen over de republiek van Weimar.

Petra Friede’s verklaring voor hun goede gedrag: ’t Komt waarschijnlijk omdat u ze allemaal een hand gaf. Ze voelden zich gevlijd.’

Niet eenvoudig trouwens, om hier in deze overgangstijd onderwijs te geven en te krijgen, ook in materieel opzicht. Geld voor voldoende nieuwe leerboeken ontbreekt. Er is geen video-apparatuur, er zijn geen films, er is niks. De leraar moet het hier nog helemaal op eigen kracht doen. Petra’s onderwijsmethode bestaat vooral uit het stellen van vragen.

Na de les vraag ik haar en haar collega Andrea Nimczyk wat ze de leerlingen over de DDR-tijd vertellen. Andrea: ‘Ik zeg ze hoe ik het heb beleefd: de goede en de slechte dingen. Ik heb ontzettend goeie herinneringen aan de solidariteitsweekends voor de derde wereld, uit mijn eigen schooltijd. Dan werkte je met z’n allen een paar dagen voor een goed doel. Later, in de jaren tachtig, ging het vrijwillige er helemaal af. Alles werd verplicht. Toen werd het leven hier langzaam maar zeker vreselijk.’

Petra: ‘Ik heb een leuke jeugd gehad. Dat ontkennen zou betekenen dat ik een groot deel van mijn leven afschrijf. Ons probleem is dat we onze geschiedenis verdringen. Dat hebben we na de Tweede Wereldoorlog ook gedaan, en dat doen we nu weer. En dat zal ons nog opbreken. Maar we hebben het ook niet zo makkelijk. Je moet op het ogenblik echt geweld gebruiken om niet als randfiguur van deze maatschappij te eindigen.’

Waarom kozen deze twee vrouwen destijds voor het vak geschiedenis? Want niet alleen was dat meer indoctrinatie dan onderwijs, ze hadden er ook voor te zorgen dat eigenlijk alle kinderen lid werden van de vereniging voor Duits-Sovjetrussische Vriendschap. En verder was het hun opdracht per klas gemiddeld drie jongens te werven voor een officiers-opleiding. Ze werden vooral beoordeeld op de resultaten van dat ronselen. Andere kwaliteiten deden er minder toe.

Andrea: ‘Veel te naïef geweest. Me niet goed gerealiseerd wat het vak inhield.’ En toen ik het goed doorkreeg was het min of meer te laat. Petra: ‘Je mocht als hier als student maar één keer kiezen. Het was dus voor mij heel simpel: of doorgaan of als ongeschoold arbeider de fabriek in. Op examens gaf ik altijd braaf het antwoord dat ze van me wilden horen. Het is heel duidelijk: ik was een meeloper’.

Andrea: ‘Ik ook.’ .

Petra: ‘Na de Wende hebben we ons afgevraagd of we nog wel met goed fatsoen voor de leerlingen konden verschijnen. Want wat we ze hadden wijsgemaakt was gewoon een lachertje.’

Andrea: ‘Over de Muur vertelden we bijvoorbeeld dat de hele wereld jaloers op ons was, en dat de imperialisten, onze vijanden dus, zo bang waren voor de kracht van ons goede voorbeeld dat ze ons met alle geweld wilden vernietigen. Zo stond dat ongeveer in de boekjes, en zo gaven we dat door. Maar op een keer begon ik middenin dat verhaal ontzettend te janken. Want ik moest plotseling denken aan twee van onze beste vrien-den, die we net verloren hadden.’

Verloren?

‘Ja, zo voelden we dat. Mensen die naar het Westen gingen was je kwijt, voorgoed.’

Petra: ‘Tot en met de negentiende eeuw was er niet veel aan de hand. Spartacus, de Franse Revolutie, de Commune van Parijs, daarover kon je aardig lesgeven. Maar dan kwam het recente verleden, en dan moest je – ik noem maar wat – zeggen dat in Duitsland het verzet tegen Hitler uitsluitend bestond uit communisten.’

Andrea: ‘Tijdens m’n studie hield ik me op de been met het idee: ‘Ach, straks, in zo’n klas, is er niemand die je op je vingers kijkt. En zo was het ook: er was toch wel aardig wat speelruimte.’