Het terras

Casa Cathaysa. De montere vrouw gaat voor naar de bovenste verdieping.  De folder van het reisbureau beloofde zeker niet te veel: het uitzicht is aardig. Daar beneden – als een groen zonnescherm – de kruinen van de bomen van het pleintje. Verderop, langs de boulevard, een draaimolen, en een tent waarin – zo ontraadselt de verrekijker later – een rijtje botsauto’s wacht op de eerste klanten. En op de heuvel aan de overkant een zeker vijftien meter hoge Jezus, met zijn geheven rechterarm de nieuwe bezoekers op La Gomera zegenend.

Het appartementje is in orde. Geen probleem om het hier twee weken uit te houden, concluderen Herman en Joke.

Ze staan op hun balkon en zien de veerboot van Fred Olsen waarmee ze een uurtje geleden aankwamen, een grote bocht maken en uit het gezichtsveld verdwijnen, richting Tenerife. ‘Ik ga uitpakken’, zegt Joke, maar Herman hoort dat niet meer. Hij is op zoek naar de vrouw van daarnet.

Hij is snel terug. ‘We gaan verhuizen’, zegt hij.

Voor honderd euro extra krijgen ze het appartement een verdieping lager, met het terras. Joke sputtert tegen. ‘Veel geld’. Herman wuift het weg. ‘Nog geen tientje per dag. Dat is toch niks’.

Het terras is inderdaad fantastisch. Een zonnebed, een parasol en een makkelijke stoel. Helaas ook een paar metalen stoelen met vlechtwerk dat zich invreet in je billen. Eén goede stoel te weinig dus, maar dat is snel geregeld, want op het aangrenzende terras – via een stap over een stalen draad bereikbaar – staan twee prima stoelen. Wat is er simpeler dan er eentje te ruilen tegen een metalen stoel? Er zit toch niemand in dat appartement.

Dat blijkt een misvatting. Aan het einde van de middag plotseling hoge stemmen. De deuren gaan open en twee kinderen – een meisje en een jongen – dartelen het terras op. Ze hollen achter elkaar aan, de armen vol handdoeken. Ze praten Duits.

Henk weet wat hem te doen staat: onmiddellijk de stoelen verwisselen. Hij is er op dat moment niet toe in staat. En dan is de boot aan. De blauwe ogen van een blonde pin-up, zo uit de autobanden-kalender, zoomen in op de verplaatste stoel. Ze begint in het Engels, maar gaat – zoekend naar woorden – al snel over op haar moedertaal. Unbeschämt, vindt ze het. Dat je zoiets kunt doen? 

Joke weet wel raad met zulk soort vrouwen. Waar heeft ze het in godsnaam over? Hoe haal je het in je hoofd om zo’n toon aan te slaan? Er is niks verwisseld.

‘Jawel’, zegt Herman, ’maar ik dacht dat wij geen buren hadden. Er hing niks, er lag niks.’

Ze kijkt naar hem. Haar houding verandert. Ze heeft de verklaring overwogen en in orde bevonden. ‘Houden jullie die stoel maar’, zegt ze met een stem die ineens een paar tonen warmer is.

Herman weert af. ‘Ik zet hem onmiddellijk terug. Het is jullie stoel.’

Zij: ’Het hoeft echt niet. We zijn toch steeds de hele dag weg’. En ze vertelt dat zij en haar vriendin Beate het appartement vorig week huurden, toen hun mannen terug moesten naar Hamburg. Ze hebben allebei een kind, zij het jongetje en Beate het meisje. Met een auto rijden ze elke dag naar het strand aan de andere kant van het eiland

Ze is uit op vrede. Ik heet Annette, zegt ze. Ze schudden handen. Ze draagt een witte broek en een paars bloesje. Een flink stuk van haar bruine buik is bloot.

‘Nou, die kan te keer gaan’, zegt Joke even later. ‘Pittig vrouwtje. Assertief. Heb je trouwens gezien dat haar zoontje een groot kruis om zijn nek heeft?’

Natuurlijk is Herman dat opgevallen. Hij weet ook al hoe het jochie heet, namelijk Felix, en wat zijn leeftijd is: vijf.

De buren hebben zich teruggetrokken in hun kamers. Herman zet de omstreden stoel terug waar hij vandaan kwam en denkt intussen aan zijn buurvrouw, aan haar stem, die ineens zo aangenaam melodieus werd en aan haar ogen, waarin hij een onverwachte tederheid meende te hebben ontdekt. En vooral ook aan de manier waarop ze liep, van hem af. Het moet, zo peinsde hij, zitten in de manier waarop ze haar voeten neerzet, en hoe haar heupen op elke stap anticiperen. In elk geval, in de billen van Annette zit zo’n verende, soepele beweging dat je je ogen er niet vanaf kunt houden. Het is gewoon ballet.

Wijn en zoutjes. Op La Gomera kan het leven goed zijn.

Hoe is zijn leven? Controller bij de gemeente Breda. Getrouwd op z’n 26ste. Eén kind, een dochter, op het conservatorium in Den Haag.

Is dat z’n leven? Tot ongeveer een jaar geleden had hij er in elk geval vrede mee. Redelijk huwelijk, getalenteerde dochter, aardig werk, weinig opwindende, maar toch wel aardige kennissenkring, behoorlijk huis.

Ondanks psychotherapie weet hij niet waarom hij binnen een paar maanden zo veranderde. Hij is de passie kwijt. Niet meer betrokken, bij niets en bij niemand. Als iemand tegen een boom zou rijden zou hij gewoon doorlopen. Vrouwen……hij ziet ze niet eens.

Hij doet nog wel gewoon zijn werk, althans….. een paar keer ging hij niet naar kantoor, maar nam de trein naar Antwerpen. Niks bijzonders deed hij daar: wat rondwandelen, eten, film.

Zijn collega’s hebben nog niets in de gaten. Thuis is dat anders. Bij de televisie loopt hij weg, kranten heeft hij zó uit, praten doet hij weinig.

Hij voelt zich niet ongelukkig. Zelf zou hij niet op het idee van psychotherapie gekomen zijn. Joke en Natascha, zijn dochter, hebben hem er toe aangezet. ‘We hebben zo niets meer aan je’.

En nu is er dus Annette. Voor het eerst is er weer iemand. 

Van San Sebastian, het stadje op La Gomera waarop ze neerkijken, hebben ze weinig meer gezien dan de kade, het pleintje en de weg naar boven. Nu lopen ze er in rond, op zoek naar een leuk restaurant. Hier vandaan maakte Columbus de grote oversteek. Dit moet de kerk zijn waar toen een speciale dienst voor hem werd gehouden. Morgenavond zien ze die kerk van binnen. Mendelssohn en Brahms. Overal affiches; kaartjes aan de zaal.

De buurkinderen zijn nog op. Annette leest verhaaltjes voor. Een stem vol nuances. Zou ze toneelspeelster zijn?

La Gomera is een wandeleiland; Joke en Herman zijn wandelaars. Ze maken altijd  flinke tochten, maar Joke is meteen bij aankomst op het eiland uitgeschakeld. Enkel verzwikt. 

‘Ze zegt: ‘Je moet morgen maar alleen gaan; ik vermaak me wel op het terras’.

Het is al lang donker, maar nog steeds warm. De Wereldomroep heeft het over een hittegolf op de Canarische eilanden.  Geluiden en lichtjes van de kermis in de verte.

Annette komt weer naar buiten. Halverwege het terras, dichtbij de draad, staat ze stil. Wat doet ze daar? Is ze aan ’t roken?

Nee, ze huilt, met zachte snikjes, maar toch hard genoeg om het te horen. Wat wil ze? In haar eentje huilen? Troost?

Het antwoord komt snel. Ze stapt over de draad en vraagt of ze er bij mag komen zitten. Het gaat niet goed tussen haar en haar vriendin, eigenlijk al vanaf de eerste dag dat de mannen terug naar huis zijn. De ruzies gaan vooral over de kinderen, die in winkels altijd wat willen hebben, en daar dan verschrikkelijk over zeuren. Beate vindt dat je er niet aan moet toegeven, maar Annette doet dat soms wel, om er maar vanaf te zijn. Daarover krijgt ze dan naderhand allerlei pissigs te horen. ‘Het ontaardt. Ik had geen idee dat dit zou kunnen gebeuren. Ik ken Beate nog niet zo lang. Onze kinderen zitten op dezelfde crèche. Echte vriendschappen heb je alleen met mensen die je kent uit je jeugd’.

‘Dan heb ik geen echte vrienden’, denkt Herman, ’want ik zie niemand van vroeger meer’.

Vertel je een echte vriend onbekommerd alles wat er in je omgaat? Heeft hij zulke mensen? Nee dus.

Annette heeft intussen voorgesteld naar binnen te gaan. Ze wil niet dat haar vriendin Beate, die zich trouwens nog niet heeft vertoond, iets hoort van het gesprek.

In het keukentje een nieuwe huilbui. De vriendin stoort zich aan het enorme kruis om Felix nek. Ze vindt het een demonstratie. ‘Maar dat is het helemaal niet. Het geloof is ontzettend belangrijk voor het jongetje’.

En voor haarzelf en haar man ook, vertelt ze er bij. Sinds drie  jaar zijn ze in de Here.

Herman is er stil van. Deze prachtige vrouw uit Hamburg, die hier zit te roken en biertjes drinkt, is dus een EO-type. Niet  te geloven. Als iemand niet beantwoordt aan het beeld dan is zij het wel.

Het hele voorraadje bier gaat er aan, dat is wel duidelijk, want deze vrouw heeft in haar ontreddering behoefte aan verstandige woorden, desnoods van ongelovigen, aan nicotine en vooral aan alcohol.

Ook aan aanrakingen? Herman overweegt achter haar te gaan staan en zijn handen op haar schouders te leggen. Wat hem weerhoudt is een recente herinnering. Veertien dagen geleden was Trudy, de mooie junior-controller, huilend zijn kamer binnengekomen. De wethouder had haar – volkomen onterecht zei ze – op haar donder gegeven.

Herman was uit zijn stoel gekomen en Trudy had zijn schouder opgezocht. Met zijn gezicht stond hij naar de spiegel. En daarin zag hij geen troostende man, maar iemand met een schijnheilig week jezuïtenmondje. Hoe konden mensen, en vrouwen in het bijzonder, in godsnaam in hem geloven?

Daarom blijft hij nu gewoon zitten en kijkt naar haar terwijl ze met een papieren zakdoekje de uitgelopen mascara onder haar ogen wegveegt.

Verpleegster. Ze vertelt over de zieken in het ziekenhuis, die zij zo graag verpleegt.

En dan ineens: een hand op zijn been, net boven de knie. Wat is dat voor hand? De stuurloze hand van een geëmotioneerde vrouw, bezig met haar verhaal. Een gewoontegebaar van een verpleegster, gewend haar patiënten ook op deze manier te troosten?

Hij verwerpt beide mogelijkheden. Een vrouw met zo’n lijf, zo’n gezicht, zulke ogen, zulk haar, zo’n stem weet wat ze oproept als ze zoiets doet. Naïviteit is mooi, maar er zijn grenzen. Ze weet ook best dat Joke niet kan zien waar die hand is. 

Het is onbegrijpelijk. En tot zijn verbazing merkt Herman dat het ook verwarrend en adembenemend is.

Maar helaas duurt het niet lang. Annette staat op, zegt dat het gesprek haar erg geholpen heeft, geeft Joke en Herman een vluchtige zoen op de wang en verdwijnt via keukendeur en draad.

De bus brengt Herman de volgende ochtend naar de dichtbegroeide, godverlaten bergen van La Gomera. Hij stapt uit op de plaats waar hij een wandelroute kan oppikken. Drie, vier uur lopen en hij zal terug zijn in San Sebastian. Na een kwartier ziet hij al geen enkele aanwijzing meer, maar hij loopt toch door, in de hoop ergens weer op de route te komen, als hij maar in zuidoostelijke richting gaat. Eindelijk heeft hij weer een spoor. Hij moet zo stijl en gevaarlijk klauteren dat hij zich afvraagt of hij wel goed zit. Op handen en voeten, zich vastgrijpend aan takken en stenen, komt hij terecht op een richel van nog geen halve meter breed, met aan weerskanten steile afgronden van zeker tien meter. Hij begint aan de oversteek, want hij wil dit volbrengen. Dit moet een geoefend wandelaar kunnen, dus hij ook. Maar na een meter of drie weet hij zeker dat hij het niet redt. Onmogelijk voor iemand met hoogtevrees. Stoppen, voordat hij zich naar beneden zal laten vallen. Liggen, niet bewegen, ogen dicht, kalmeren.

Het is één uur, de zon staat loodrecht boven hem. Roepen om hulp is zinloos. Hier is niemand. Ze zullen hem vinden als een dode, uitgedroogde hagedis.

Hij hecht niet erg aan het leven, maar op deze manier wil hij niet sterven. Dus begint hij aan de terugtocht, achterwaarts schuifelend, met zijn voeten links en rechts zoekend naar de zijkanten van de richel, om zo te berekenen hoe hij in het midden moet blijven. Hij vordert langzaam, centimeter voor centimeter, en probeert – door diep adem te halen –  rustig te blijven, het beven en trillen te bedwingen. Een kwartier later staat hij weer overeind, vuil en stinkend van het zweet, tranen in de ogen, zuchtend.

Wat een idioot was hij. Dit kan de route nooit zijn geweest. Niemand laat een wandelaar zoiets levensgevaarlijks doen.

Hij ontdekt een pad omlaag en komt op een punt waar hij door zijn verrekijker Joke op het terras kan zien. Bij de buren is nog geen leven.

Zijn wandeling duurt twee uur langer dan gepland. Joke zegt: ‘Ik dacht: Misschien heeft hij z’n been wel gebroken. En dan ligt hij daar in die brandende zon. ’t Is eigenlijk onverantwoord om alleen te gaan. Zo’n wildernis…. zo eenzaam’.

Herman zegt niets. Hij heeft al moeite genoeg met het uitdoen van z’n schoenen. Benen, armen, nek, alles doet pijn.

Ook  Beate, moeder van Valentina, is nu op het terras. Aardige , verstandige vrouw, niet zo opvallend als Annette. Ze houdt de conversatie kort, heel begrijpelijk, na gisteren.

Dan komt Annette naar buiten. Ook zij heeft gedoucht, en  draagt uitsluitend twee handdoeken, de ene om haar natte haar, de andere elegant halverwege haar mooie borsten vastgeknoopt. Als een diva.

De gemeenschappelijke voertaal is weer Engels. ‘Ga morgen met ons mee naar het strand’, zegt ze, maar Joke en Herman willen niet. Achteraf blijkt dat ze daarvoor verschillende motieven hebben. Joke heeft geen zin in een rit met twee kinderen achterin een klein, warm auto-tje. En daarna aan het strand met die kibbelende moeders lijkt haar ook niks. Dat vertelt ze Herman. ‘Dat vind ik ook’, zegt hij, maar hij heeft een hele andere reden, en daarover zwijgt hij. Hij wil niet dat Joke doorkrijgt hoezeer Annette hem aanspreekt.

Zo horen ze hun buren de volgende ochtend vertrekken, met veel heen en weer geloop van de kinderen, en met de vermanende stem van Beate. Want het is wel duidelijk hoe de rollen daar zijn verdeeld: Annette laat het ingrijpen graag aan haar vriendin over.

Pas om een uur of negen ’s avonds zijn ze terug. Een poosje later stapt Annette weer over de draad, met een fles in de hand. Beate was moe, ze is naar bed. Zin in een wijntje?

Er zitten nog twee mensen op het terras: Peter en Michel, biologen uit Amsterdam, hier in San Sebastian de bovenburen.

De avond is buitensporig mooi. Van de kermis aan de boulevard golven reggae en rumba’s landinwaarts. In de bergen aan de overkant verschijnen en verdwijnen autolampen, alsof de bestuurders naar elkaar seinen. Het gesprek komt op de liefde en op kinderen of geen kinderen, en Annette zegt dat Felix het mooiste is wat haar ooit is overkomen. Ze praat veel, en met overtuiging. Later komt het geloof aan de beurt, en wordt ze in het defensief gedrongen. Geen wonder, met allemaal atheïsten om haar heen. ‘Je bent niet wijs dat je je zoontje met dat kruis laat lopen. Dat kan nooit z’n eigen keuze zijn; dat heb je hem aangepraat’.

‘Wat een vreselijk wijf’, zegt Peter, als ze even naar de wc is. ‘Niet te harden’.

Leuke kerels zijn het, en over dat kruis hebben ze natuurlijk gelijk. Maar toch voelt Herman de behoefte het een beetje voor Annette op te nemen. Joke kijkt hem onderzoekend aan. Zo kent ze hem niet. Hoe vaak is hij niet te keer gegaan over die achterbakse katholieken in Breda?

Voorbij. De veerboot neemt de twee vrouwen en hun kinderen mee naar Tenerife, en vandaar terug naar Hamburg. Vanaf het terras ziet Herman de boot verdwijnen. Hij voelt zich verlaten. Hij heeft geen adres, zelfs geen achternaam.

Hoe komt hij de komende anderhalve week op La Gomera door?

Joke’s enkel doet gelukkig minder pijn. Ze kunnen samen wandelen, en dat leidt af.

De therapeut is een man van weinig woorden. Hij wacht af waarover Herman wil praten. Dit keer over de vraag ‘wat ons nou eigenlijk drijft’. Dat is immers zijn probleem: er drijft hem niets. Hij vergelijkt zichzelf met sommige vrouwen van middelbare leeftijd, die zoveel waardeloze ervaringen met mannen hebben opgedaan dat ze het geloof in de liefde volledig zijn kwijtgeraakt. Die vrouwen stralen rust uit. Maar ze zijn ook saai. ‘Ik ben ook saai, dodelijk saai. En dat komt omdat ik niet meer de behoefte heb aantrekkelijk te zijn voor vrouwen. Ik begin te geloven dat Freud toch gelijk heeft, dat alles draait om sexualiteit. Alle behoefte aan macht, aan aandacht, aan maatschappelijk succes is terug te brengen tot dat ene: de behoefte aantrekkelijk gevonden te worden’.

Hoeft er werkelijk niemand op jou te vallen?

Nou ja, er is wel iemand, sinds La Gomera. Iemand die ver weg is, in Hamburg. En bovendien gelukkig getrouwd, en veel te jong, en zeer gelovig, kortom totaal onbereikbaar. Ik moet haar wissen, maar dat lukt niet.

‘Dus eigenlijk drijft je toch weer wat?

‘Ja, maar ik weet niet waar het me heen drijft’

Hij belt naar Casa Cathasia, de verhuurster van de appartementen. De Duitse vrouw van het andere terras heeft hij een boek beloofd, maar hij is het briefje kwijt met haar achternaam en adres. Kan zij helpen? Nee, dat kan ze niet, want alles is mondeling gegaan. Ze weet geen namen, ze weet niets.

Duits was nooit zijn favoriete taal, maar nu denkt hij er in. Soms geeft hij ook antwoord in het Duits. ‘Stel je niet zo aan’, zegt Joke.

Nieuw: Hij vertelt Joke dat hij in Frankfurt gegevens wil verzamelen over een bedrijf waarmee de gemeente Breda zaken wil doen. Drie dagen achter elkaar pint hij duizend euro. De vierde dag meldt hij zich ziek en neemt de trein naar Hamburg. In zijn laptop een lijst met de adressen van alle ziekenhuizen.

Hamburg, dat is tien keer Breda, met zes keer zoveel ziekenhuizen, met hoofdingangen en dienstingangen, met parkeergarages, met fietsenstallingen. Waar moet je staan om haar te zien, op welke uren van het etmaal? Want dat wil hij: haar zien, en misschien haar ook aanspreken. Maar hij heeft er nog niet over nagedacht wat hij dan zal zeggen.

Wat hij wél weet is dat het anders zal zijn dan op La Gomera. Hier geen onzekere, hulp zoekende vrouw, maar iemand die gewoon aan het werk is, met van alles aan haar hoofd: een kind, een man, een huis. Grote kans dat ze geen enkele behoefte heeft om hem te zien, ja.. dat ze het zelfs vervelend vindt.  

De receptioniste van hotelletje Lilienhof, dichtbij het station, vraagt hoe lang hij blijft. Hij weet het nog niet. Ze spreekt met een Oosteuropees accent. Poolse, denkt hij.

In zijn kamer hangt, naast een stuntelig geschilderd landschapje, een poster van Scorpio. Wat doet El Pacino hier, wat moet een man uit Breda met die broeierige, voor vrouwen bestemde blik?

De televisie is van een formaat dat je zelfs op kinderkamers niet meer ziet. Het binnenplaatsje waarop hij uitkijkt staat vol oud terrasmeubilair, rijp voor de container.

Als controller heeft hij in Breda als standaard-procedure ingevoerd dat zijn afdeling bij nieuwe leveranciers poolshoogte neemt als het gaat om orders van meer dan een ton. Dat betekent dat hij zo nu en dan een paar dagen op reis gaat, meestal in Nederland, een enkele keer verder weg. Dan eet hij meestal alleen, wat niet vervelend hoeft te zijn, als je maar iets te lezen hebt.

Nu, in de pizzatent, bekijkt hij op zijn laptop wat de omgeving van hotel Lilienhof te bieden heeft. Dat is van alles: de oevers van de Alter, musea, het Deutsche Schauspielhaus. Wat is daar vanavond te doen? Der Entertainer van John Osborne in de grote zaal, Psychose 4,48 in de kleine.

The Entertainer, dat is lang geleden. Maar de  ondergang van de music hall is, leest Herman, verplaatst naar deze tijd. Psychose 4,48 is zware kost: een psychiatrische patiënt is elke nacht om 4,48 uur korte tijd volkomen helder, maar daarna slaan de psychoses en waandenkbeelden weer toe.

Dan is Osborne, met zang en dans, ongetwijfeld leuker, en ook makkelijker te begrijpen voor een iemand met alleen atheneum-Duits.

Het is in de buurt, dus waarom niet kijken of er nog een kaartje is.

Hij zit op rij zes, op de hoek. Naast hem twee vrouwen, kennelijk vriendinnen. Ze zijn tussen de dertig en de veertig, niet dik en niet dun, verzorgd, allebei behoorlijk knap. Ze werken, zo maakt hij op uit hun gepraat, in een ziekenhuis.

De acteur die de titelrol speelt is zeer geloofwaardig als niet meer in zichzelf gelovende grappenmaker. Onderhoudend is het.

Porretje in z’n zij. De buurvrouw biedt een snoepje aan. En ze fluistert: ‘Er is geen pauze. Na afloop drinken we samen een glas Sekt.’

Om de avonden door te komen gaat hij in het buitenland wel meer naar een theater. Meestal naar muziek. Als het kan neemt hij een plaats op de hoek, om weg te kunnen glippen als hij er weinig aan vindt.

Maar nu moet hij dus wel blijven, wat trouwens geen straf is.

Beate en Hildegard heten ze, en ze zijn hier min of meer illegaal. Want ze zouden naar Psychose 4,43, maar toen ze bij de schouwburg kwamen bedachten ze zich. Spijt hebben ze er niet van; der Entertainer was top-vermaak.

Zonder dat hij er om hoeft te vragen zegt Beate waarom ze naar het psychose-stuk wilden: ‘Omdat we allebei met psychiatrische mensen werken: zij als verpleegkundige, ik als arts. Het is toneel op ons vakgebied.’

Herman zegt dat hij tijdens een vakantie op La Gomera ook een verpleegkundige uit Hamburg tegenkwam. ‘Annette heet ze. Kennen jullie haar misschien?’ Nee dus, ze kennen geen Annette.

Intussen hebben ze alle drie hun Sekt al weer op. Er is nog tijd voor een tweede glas. Herman tracteert. En natuurlijk moet hij vertellen wat hem naar Hamburg brengt. Het lijkt hem zeer onverstandig om het met deze vrouwen verder over Annette te hebben. Hij is, zegt hij, hier om een indruk te krijgen van de betrouwbaarheid van een bedrijf waarmee Breda zaken wil doen. Zulke uitstapjes horen bij zijn vak. Hij is controller. Hij bewaakt de portemonnee van de gemeente. Niet achteraf, zoals een accountant, maar tijdens het proces. Hij praat er over alsof hij gelooft in zijn werk. En dat doet hij ook, merkt hij tot zijn verbazing.

De Schouwburg gaat dicht, het is bedtijd. ‘Morgen weer vroeg op’. Hij moet de ene kant op, zij tweeën de andere. ‘De volgende keer neem ik je mee naar huis‘, roept Hildegard hem na. ‘Afgesproken’, roept hij terug.

‘Duitse vrouwen’, denkt hij. ‘Wat heb ik toch met Duitse vrouwen?’

Hij loopt langs etalages met schoenen van vierhonderd euro en ziet voor een boekwinkel een vrouw die op Annette lijkt. Herken ik haar eigenlijk wel?, vraagt hij zich af.. Ze is vast minder bruin en ze draagt hier geen vakantiekleren, geen strakke witte broeken.

De gelagkamer, tevens ontbijtkamer, van het hotel, is verlaten. De tafels zijn al gedekt voor morgenochtend. Hij wil vroeg ontbijten om daarna in de Alfredstraße op de uitkijk te gaan staan bij het Marienkrankenhaus.

Zes uur de wekker, half zeven beneden. Een vrouw is bezig in het keukentje. Ze praat met hetzelfde accent als de receptioniste van gisteravond, lijkt ook op haar. Zusters? Ze is in gesprek met twee mannen die zo te zien werken in de bouw. Buitenlanders. Polen? Nee Roemenen. Hij hoort dat ze Helena heet.

Na een poosje is hij met de vrouw alleen. Wat hij doet in Hamburg? En hij besluit om het haar gewoon te zeggen: ik zoek een vrouw die ik met vakantie ontmoette op de Canarische Eilanden. Ik weet alleen haar voornaam, en ik weet dat ze verpleegkundige is’

Ze kijkt vertederd naar hem: ‘Wat romantisch. Hoe wilt u haar vinden?’

De vrouw van de receptie is inderdaad haar zuster Sophia. Zelf werkt zij altijd ’s morgens, eerst het ontbijt verzorgen, daarna de kamers doen. Als alle twaalf kamers bezet zijn is het druk. Nu zijn er maar zeven gasten. Sophia woont al acht jaar in Hamburg, zij zes. Ze komen uit Lublin in oost-Polen. Hun mannen werken in Zwitserland, de kinderen zijn bij oma.

Het Marienkrankenhaus blijkt een onoverzichtelijk gebouwencomplex. Waar heeft hij de meeste kans? Er is een hoofdingang, maar er zijn ook nog andere in- en uitgangen. Het is fris, op deze septemberochtend om half acht.

Hij kiest de hoofdingang en neemt positie in aan de overkant van de straat. Na een uur begint hij zich af te vragen hoe lang hij dit volhoudt. Het staan valt niet mee; de tijd kruipt voorbij, de kans op resultaat bijna nul.

Ineens grijpen handen hem van achteren vast. ‘Niet bewegen’, commandeert een vrouwenstem. ‘Politie; we gaan u fouilleren’. De stem is van een vrouw in uniform. Er is nog iemand bij: een man in burger. Hun handen gaan langs zijn lichaam, zijn benen. ‘Nichts’, constateert de vrouw.

De man zegt dat ze hem meenemen naar het bureau. ‘Gaat u goedschiks, of moeten we u dwingen?’

Maar waarom? Waar verdenkt u mij van?

Dat hoort u straks wel.

Verhoorkamertje, zoals in films. Herman moet zich identificeren, vertellen wat hij in Hamburg doet, waar hij logeert, waar hij woont, wie zijn werkgever is. Enige verbazing meent hij te ontwaren in de gezichten van zijn twee ondervragers als hij het heeft over zijn zoektocht naar Annette. 

En dan ineens de vraag: Hoe staat u tegenover Israël?

Waarom wilt dat weten? Maar ik wil u wel antwoorden: Ik vind de nederzettingenpolitiek een ramp.

De vrouwelijke agent: ‘Wij zagen u op de bewakingscamera. U stond langdurig voor het huis van rabbijn Davidson.’

Dat kan zijn. Ik had geen idee dat daar een rabbijn woont. Bovendien: ik heb niets tegen rabbijnen.

Zoals Herman standaard-procedures hanteert, zo doet de politie dat ook. Er komt een man binnen die vertelt dat het klopt: dat hij een hoge functie bij de gemeente Breda heeft, dat hij zich daar ziek heeft gemeld, dat zijn vrouw denkt dat hij in Frankfurt zit, dat hij inderdaad gecharmeerd was van een verpleegster uit Hamburg.

Ze kijken naar hem; hij kijkt naar een koffiebekertje op de tafel. Ze weten het: loos alarm. Dit is geen terrorist, maar een man uit Holland die de weg kwijt is.

Zonder dat ze iets heeft overlegd met haar mede-ondervrager zegt de vrouw: ‘Het lijkt ons verstandig als u naar huis gaat. En misschien moet u proberen hulp te krijgen, want het gaat niet goed zo. U riskeert uw baan, uw huwelijk…..en waarvoor? Voor een illusie’.

Ja, ja , denkt hij. Laat maar praten. Ik kom hier wel overheen, ofschoon…dit is wel heel ontnuchterend.

Het verhoor is afgelopen. Hij mag gaan. Ze bieden zelfs aan hem terug te brengen naar de Alfredstraße, naar de omgeving van het ziekenhuis.  Hij slaat het af. Voor vandaag is het wel genoeg geweest. Hij wil vooral naar buiten, ergens op een bankje zitten, nadenken. Iedereen weet het nu. Wat een ellende.

De avond brengt hij door op zijn hotelkamer met de NRC en de Volkskrant en met het nieuws op de tv. Intussen overlegt hij met zichzelf: teruggaan naar Breda met allerlei ongemakkelijke confrontaties in het vooruitzicht. Of nog even blijven (het is bijna weekend, dus werken is er deze week sowieso niet meer bij) en het toch nog een keer proberen, bij een ander ziekenhuis? Moet hij Joke niet bellen? Natuurlijk, dat moet hij doen. Maar alsjeblieft niet nu. Alsjeblieft.

Hij zet de wekker dit keer op half zeven. In het eetzaaltje is hij alleen. Helena bakt een eitje voor hem en vraagt of hij z’n prinses al gevonden heeft.

Dan doet ze hem een voorstel: Of hij vanmiddag, als hij klaar is met zoeken naar Annette, bij haar thuis langskomt voor een hapje en een drankje. Om bij te komen van de vermoeienissen. En ze geeft hem haar adres: Kalkhof 56, één halte met de U-Bahn.

Maar eerst wil Herman het proberen via de personeelsafdelingen. Hij beseft dat hij portiers moet vermijden, want die zijn geïnstrueerd om mannen weg te sturen die vragen hebben over verpleegsters. Dus loopt hij gewoon door, wat kan in ziekenhuizen. Geen pasje nodig. Hij bestudeert plattegronden en komt zo terecht bij de mensen die hij hebben moet. Klopt en gaat binnen. Hij vraagt of zij hem helpen kunnen. Het antwoord is: ‘nee, om privacy-redenen kunnen we dat niet doen. En dan nog……hoe oud bent u, en hoe oud is de vrouw die u zoekt. Bent u getrouwd, is zij getrouwd? Meneer, alsjeblieft, gebruik uw verstand, ga naar huis’.

Drie keer in hoofdlijnen hetzelfde antwoord en hetzelfde advies. Het heeft geen zin het verder te proberen.

Naar Kalkhof 56, met gele rozen. Veel naambordjes, veel bellen. Bijna onderaan: Helena. De deur klikt open, een lange gang, een trappenhuis, etensluchtjes. Daar is ze, in een donkerrode bloese en zwarte fluwelen broek, haar opgestoken. Knappe vrouw, dat zeker. Ze loopt voor hem uit, laat hem binnen in een grote kamer met in de hoek een aanrechtje, achter een kamerscherm vermoedelijk een bed en tegen de wand een gedekte tafel vol hapjes. Daarachter op een foto aan de muur van Helena met een man en twee kinderen, in een tuin vol bloemen.

‘Wat een leuk stel zijn jullie. En wat een mooie foto.  

Hij heeft een vraag: die poster van Al Pacino in zijn hotelkamer, weet zij hoe die daar komt. Ja dat weet ze: die heeft zij daar opgehangen. Nu is hij oud, maar in zijn jonge jaren was Al Pacino zo verschrikkelijk aantrekkelijk.

Ja, ongetwijfeld. Maar waarom die poster in mijn kamer.

Omdat ik die kamer meestal als laatste verhuur. En als hij leeg blijft dan doe ik daar ’s middags wel eens een dutje.

Hij kijkt naar haar gezicht. Ziet hij daar een blosje?

Ze vraagt hoe zijn zoektocht verloopt en hij vertelt dat hij donderdag op het politiebureau terechtkwam en dat het vandaag ook niets is geworden.. Het is hem in Nederland al opgevallen: veel vrouwen uit Oost-Europa hebben een wat vale, lichte huid, alsof ze nooit in de zon komen of immuun zijn voor zonnestralen. Ook de huid van Helena is licht, maar niet vaal, eerder doorschijnend. En nu, nadat ze in hoog tempo vijf wodka’s gedronken heeft, nog lichter.

De drank maakt haar spraakzaam. Ze vertelt dat in het hotel voornamelijk Poolse en Roemeense bouwvakkers komen, en dat ze soms knap vervelend zijn. Ze gaan ’s morgens naar hun werk, maar als zij de kamers aan het doen is kan het gebeuren dat  er onverwacht één terugkomt, met de duidelijke bedoeling haar te grijpen. Altijd op je hoede zijn… je wordt er zo moe van.

‘Maar ik wil het er nu niet meer over hebben, zegt ze, en draait de versterker harder. Poolse muziek is het, op een cassettebandje.

Ze wil dat Herman met haar danst. Hij probeert het af te wimpelen, maar zij houdt vol. ‘Kom op’ Ze trekt hem naar het midden van de kamer slaat haar armen om hem heen. Hij voelt haar borsten, haar buik, haar benen. De intimiteit overvalt hem.

En dan ineens laat zij hem los en zakt onderuit. Ze ligt in een foetushouding op de grond, bewegingloos, bewusteloos.

Comagezopen? Van vijf wodka’s? Dat kan toch niet.

Wat moet hij doen?  Een dokter zoeken? Andere bewoners om hulp vragen?

Eerst maar even afwachten.

Hij sleept haar naar het bed en tilt haar van de grond. Het is pittig, maar het lukt hem.

Dan gaat hij naast haar zitten en kijkt naar haar zoals ze daar weerloos op bed ligt, wat zwaar ademend.

En nu?

De muziek uitzetten. Wat hij in elk geval ook kan doen is de tafel afruimen, want gegeten zal er niet meer worden. Hij spoelt de vuile borden af, zet overgebleven hapjes in de ijskast, verzamelt broodkruimels.

Klaar.

Zijn taak is nu om te waken over de waarschijnlijk niet alleen door drank, maar ook door vermoeidheid gevelde slaapster. Waar moet hij dat doen? Een echt luie stoel is er niet. Het bed lokt, en er is nog plaats, als hij over Helena heen kruipt.

Ze ligt op haar zij met haar gezicht naar zijn kant. Hij wil haar strelen, maar bedwingt zich.

In de verte het geluid van de tram, en nog verder de sirene van een ziekenauto, dichtbij stilte. De kamer is behaaglijk warm, het bed zacht. Herman heeft geen haast. Wat hem betreft mag Helena nog wel een poosje blijven slapen. En dan slaapt hij zelf ook.

Hij wordt wakker van een zachte  stem dichtbij zijn oor. Het is Helena, in het Pools. Het klinkt verrukkelijk.

Dan gaat ze over in het Duits: Je draagt geen ring, maar ik denk toch dat je getrouwd bent, en dat je vrouw niet weet dat je hier in Hamburg bent. Ik dacht eerst: wat een romantische man, en dat op die leeftijd. Nu denk ik: hij jaagt een schim uit het verleden na. Hij verkeert in een soort crisis. In de streek waar ik vandaan kom, in Oost Polen, noemen ze het hanengeschrei. Het is het wanhopige gebrul van mannen van middelbare leeftijd die voelen dat ze het mooiste hebben gehad.

Maar ik ben blij dat je naar Hamburg bent gekomen, want anders had ik je niet ontmoet. En wat er ook met je aan de hand is, ik vind je aardig, erg aardig. Wat mij betreft mag je nog een tijdje blijven, maar als je verstandig bent doe je dat niet. Ik denk namelijk dat je het in Breda zo slecht nog niet hebt, thuis niet en op je werk niet.

Ze slaat, vindt Herman, de spijker op de kop. Het is hier warm en behaaglijk, maar dit moet niet uitgroeien tot iets belangrijks.

Hij klimt weer over haar heen, trekt op de rand van het bed zijn schoenen aan, kust haar op haar wang en bedankt haar voor de gastvrijheid en al het lekkers.

Morgenochtend zal hij haar weer zien.

De Roemenen zijn er ook. Ze werken zes dagen per week, van zondag tot vrijdagavond. Op zaterdag hebben ze vrij. Vandaag gaan ze vissen. Of Herman mee wil? Hij slaat het af.

Helena zegt: hanengeschei slaat niet op jou. Die vrouwen in de schouwburg vonden je aardig, de Roemenen vinden je aardig, ik ben zelfs een beetje gek op je. En dat in een paar dagen. Voor jou komt het mooiste waarschijnlijk nog.

Om half twaalf staat hij met z’n koffertje in Hamburg op het station. Om zeven uur is hij thuis.