Mendelssohn en de moraal

Szegedkoerier (krant gemaakt door eerstejaars studenten van de School voor de Journalistiek over samenwerking tussen de Utrechtse en de Hongaarse politie.)

2000

De viool-solist is lang en slank. Hij speelt Schubert met ritmische, gepas- sioneerde bewegingen. Muziek van hoog niveau, met overgave uitgevoerd.

Een aangename ruimte is dit, deze concertzaal van het conservatorium van Szeged in zuid-Hongarije. Heel sober, en met als enige versiering de bustes van Bartok en Kodaly, de twee Hongaarse meesters. Een feest om hier te zijn, en dat voor een rijksdaalder plus een dubbeltje voor de garderobe.

Pauze, maar het buffet is dicht, en schijnbaar verbaast alleen die ene Hollander zich daarover.

Hé, daar om de hoek van een deur steekt het hoofd van de dirigent. Hij lijkt de man bij uitstek om iets meer aan de weet te komen, want het in het Hongaars gestelde programma maakt niet veel wijzer. Hij vertelt dat zijn kamerorkest – negen vrouwen, zeven mannen – voornamelijk bestaat uit conservatiumdocenten. Ze waren al vaak in het buitenland op tournee en wonnen verscheidene prijzen.

‘Bent u’, vraagt hij, ‘hier om over cultuur de schrijven?’‘

Nee, over de politie.’

‘Ach, Orndnung muß sein’, antwoordt hij, met een ondubbelzinnig cynische nagalm.

‘U bent niet zo’n liefhebber van de politie?’

‘We waren er hier altijd bang van. Het was het machtsapparaat van de dictatuur. Je wist nooit waar je aan toe was. Ze konden je zonder duidelijke reden oppakken en opsluiten. Je werd er fundamenteel onzeker van. Je was overgeleverd aan willekeur.’

‘Voelt u dat nog zo?’

‘Nee, er is al veel veranderd, moreel vooral, maar de politie is een zware erfenis. Daar gaat nog wel een jaar of tien overheen.’

Even later Mendelssohn, in een meeslepende vertolking, maar toch drijft de aandacht af naar de vraag wat iemand er destijds toe bracht bij een zo gevreesd instituut als de politie te gaan?

Een dag later, in een café bij de markt, antwoordt een rechercheur, een kleerkast van een man met een ploertendoder losjes in de hand: ‘Meer geld… een beter leven, allerlei voorzieningen die je in het burgerleven niet had, en die er voor zorgden dat je je net ietsje meer kon permitteren dan een ander. Zo simpel lag het.’

Het kan hem niet schelen hoe de mensen over hem denken.

‘Ze hoeven niet van me te houden. Ik vind het leuk werk, en het moet nu eenmaal gebeuren. Destijds had het een laag aanzien, en dat heeft het nu nog. Maar wij hebben het wel veel moeilijker gekregen dan vroeger omdat de machthebbers banger zijn en de wetten zwakker.’