Muizenissen

Een voordeel van een nieuw huis, bijvoorbeeld in Leidsche Rijn, is dat je waarschijnlijk geen muizen hebt.

Doet dat er toe?

Toch wel.

Op zich zijn het trouwens grappige beesten. Op de tv volg ik de drie Belgen die door Nederland lopen, en ook al kijk ik geconcentreerd, ik merk toch dat er op de grond iets voorbijschiet: een muis die sprintjes trekt van de ene veilige plek naar de andere. Alsof hij me uitdaagt: pak me dan, als je kan.

Helemaal wat anders is het wanneer je je zomerdekbed tevoorschijn haalt, en je ziet dat muizen er hun nestje (plus wc) in maakten Eén grote, aangevreten stinkboel is het. Met blote handen raak je het liever niet aan

Of, recent, een doos met brieven en andere papieren van mijn vader. Veertig jaar geleden op zolder gezet, met de bedoeling om er later naar te kijken.

Maar later is in dit geval te laat. Zeker de helft is in snippers, of zit onder een smerige bruine smurrie.

Gelukkig is er nog wat over. En zo lees ik in een brief van de echtscheidingsadvocaat van mijn vader dat de voogdij van zoon Dickie nog geregeld moet worden. Ik was toen zeventien. Ik geloof niet dat het er nog van gekomen is.

Nog meer papieren van de advocaat (H. Bouman, voor mijn vader Henk), en ook van de raadsman van mijn moeder. Wat een ellende allemaal.

Weliswaar zeer vergeeld, maar heelhuids, komt uit de doos ook het boekje Cri de Coeur van mijn oom Carel van Helsdingen. Het is een rede die hij op 4 oktober 1946 uitsprak op de Ronde Tafelconferentie in (toen nog) Nederlands-Indië.

Van oom Carel wist ik alleen dat hij in Indië voorzitter was van de Volksraad, een soort parlement. In het boekje lees ik dat hij al in 1928 verklaarde ‘dat de door God in de geschiedenis aan Nederland opgelegde roeping en taak ten opzichte van Indië niet coute que coute handhaving van de rijkseenheid inhoudt’. Dat wil dus zeggen: hij sloot onafhankelijkheid niet uit. Maar hij vond achttien jaar later wèl dat Nederland eerst desnoods met militair geweld ‘collaborateur’ Soekarno tot de orde moest roepen.

Longarts Heertje Ubbens, directeur van het plaatselijke consultatiebureau voor tbc-bestrijding, kwam op zijn hoge fiets zeker twee keer in de week op koffietijd bij ons langs. Kennelijk lieten zijn werkzaamheden dat toe. Vrijwel altijd stelde hij met zijn sterk Gronings accent dezelfde vraag aan mijn vader: ‘Dirk, wat denkt je zwager Carel van de toestand in Indië?’

Mijn vader kon daar niet op antwoorden. Carel zat ver weg; de contacten waren schaars.

Zo kom ik door muizen van het één op het ander.