RMS

UN, april 1975, een half jaar voor de eerste treinkaping.

(begin van een paginagroot verhaal)

De leiders worden oud. Ze hebben moeite met het uitstappen vanaf de achterbank van tweedeurs-auto’s. Voor de vrouw van ir. Manusama is de opgaaf zelfs bijzonder groot. Ze is slecht ter been. Aan de arm van haar man strompelt ze tussen een erewacht door de Houtrusthallen binnen.

De zaal is stampvol, er hangt een wolk van blauwe rook. De temperatuur is hoger dan op Ambon.

De gemiddelde leeftijd van de massa die hier bijeen is om het zilveren ju- bileum van de proclamatie van de Republiek der Zuid Molukken (RMS) te vieren, is waarschijnlijk iets in de twintig. De jeugd is in de meerderheid. Jongens met grote bossen Jimi Hendrix-haar, shag rokende meisjes in spij- kerbroeken. Daartussen hun ouders, kleine mensen van wie sommigen in traditionele kledij. Hun nageslacht is gemiddeld wel een kop groter.

Gaapt hier werkelijk een generatiekloof? De oude leiders worden bejubeld bij hun binnenkomst. Manusama krijgt als hij spreekt over geweldloosheid en over bezinning een enorm applaus. Maar spreken dit soort woorden het jonge volkje werkelijk aan? Ik vraag het aan een jongen die naast me zit. ‘Ach’, zegt hij, ‘die oudjes daar horen er eigenlijk niet meer bij. Ze voeren al 25 jaar een poppenkast op. Al die petities, al die demonstraties, je bereikt er niets mee. En toch beschouwen we ze als onze leiders. Zo zijn we opgevoed. We hebben eerbied voor de ouderen. We zullen ook nooit iets uithalen als zij er bij zijn.’